Oké, eerlijk is eerlijk : de mooiste routes van Europa liggen niet allemaal naast elkaar. Je hebt de Alpen, de Pyreneeën, de Dolomieten, de Schotse Highlands… en tussen die plekken zit best wat kilometers. Dus ja, als je een motortrip door Europa plant, is de vraag niet alleen waar je heen wilt, maar vooral : waar ga je slapen tussen de ritten door ?
Ik heb het zelf een paar keer verkeerd aangepakt. Eén keer vanuit Lyon vertrokken richting de Italiaanse kant, en ik heb me daar behoorlijk moe gereden. Te veel omrijden, te weinig slaap, en veel te veel tijd kwijt aan logistiek in plaats van aan genieten. Sindsdien doe ik het anders. En nee, je hoeft niet per se een camper of vast adres te hebben, maar een slimme stratégie scheelt echt dagen. Trouwens, als je wel overweegt om met een camper te combineren voor wat extra flexibiliteit, kun je eens kijken op https://occascampingcar.fr – daar vind je soms leuke opties, ook voor wie eerst op de motor zit maar af en toe wat meer bagage wil meenemen.
Centraal positioneren : de klassieke keuze
Het idee is simpel : je kiest één plek die min of meer in het midden ligt van de regio’s die je wil verkennen. Denk aan Innsbruck voor de Alpen, of Grenoble als je zowel Franse als Italiaanse bergpassen wilt doen. Voordeel ? Je pakt elke dag je motor, rijdt een mooie lus, en ’s avonds kom je terug op dezelfde plek. Je hoeft niet elke avond je spullen in te pakken, geen nieuwe B&B zoeken, geen stress.
Maar – en dit is belangrijk – het werkt alleen als je niet te ver wilt rijden. Want als je vanuit Innsbruck naar de Stelvio wilt, zit je al snel aan 3 uur enkele reis. Dat is 6 uur heen en terug, puur om op dezelfde plek te eindigen. Dat voelt als verspilde tijd, vind ik.
Perso gebruik ik deze tactiek vooral voor weekendtrips of als ik een specifieke regio echt goed wil leren kennen. Bijvoorbeeld de Dolomieten vanuit Bolzano, of de Vogezen vanuit Colmar. Dat zijn gebieden waar je elke dag een andere route kan rijden zonder je basis te verleggen.
De “hopstrategie”: elke paar nachten verhuizen
Dit is mijn favoriet voor langere trips. Je plant je route in blokken van 2 à 3 nachten per locatie. Dag 1: rijden en aankomen. Dag 2 en 3: de omgeving verkennen. Dag 4: verder naar de volgende stop.
Voorbeeld ? Start in Annecy (2 nachten), rijd door naar Briançon (3 nachten), dan richting Cuneo in Italië (2 nachten), en sluit af in Turijn of terug via de Zwitserse kant. Zo bouw je een route op die logisch is, waar je niet te veel heen-en-weer rijdt, maar waar je ook echt iets ziet van verschillende streken.
Het nadeel is duidelijk : meer administratie. Je moet van tevoren boeken (of gokken dat er plek is), en elke paar dagen je tassen inpakken. Maar franchement, als je eenmaal gewend bent om licht te rijden, valt dat reuze mee. En je vermijdt die vermoeidheid van “nóg een keer 200 km terug naar het hotel”.
Wild campen of bivakkeren : alleen als je écht vrij wilt zijn
Dit is niet voor iedereen, dat snap ik. Maar ik ken motorrijders die gewoon een tentje meenemen en elke avond ergens stoppen waar het mooi is. In Frankrijk mag het eigenlijk niet zomaar, in Scandinavië wel (dankzij het allemansrecht), in Duitsland is het grijs gebied. Je moet dus goed opletten wat lokaal toegestaan is.
Voordeel : maximale vrijheid. Geen reserveringen, geen tijdsdruk. Nadeel : je rijdt zwaarder (tent, slaapzak, kookspul), en een warme douche is niet altijd vanzelfsprekend. Ik heb het een paar keer gedaan in Noorwegen, en dat was magisch. Maar in de Alpen vond ik het eerlijk gezegd wat gedoe, zeker als het regent.
Motorcampings en motelvriendelijke plekken
Er zijn steeds meer campings en B&B’s die zich expliciet richten op motorrijders. Denk aan overdekte parkeerplekken, droogrekken voor kleding, een werkplaats voor kleine reparaties, en soms zelfs routekaarten en tips van de eigenaar.
In de Alpen heb je bijvoorbeeld Camping Ötztal in Oostenrijk, of verschillende adressen rond het Gardameer. In Frankrijk zijn er veel kleinere campings die motorrijders verwelkomen met open armen – check bijvoorbeeld rond Bourg-d’Oisans of in de buurt van de Col de l’Iseran.
Wat ik fijn vind : je ontmoet andere rijders. Dat klinkt misschien cliché, maar vaak wissel je tips uit over mooie routes, verborgen paadjes, of plekken die je beter kan mijden. Dat is goud waard.
En hotels dan ? Wanneer kies je daarvoor ?
Hotels zijn duurder, maar soms gewoon comfortabeler. Als je een langere trip doet, kan het fijn zijn om elke 4-5 nachten een goede hotelkamer te boeken : warm water, een echt bed, WiFi om je route bij te stellen. Ik doe dat zelf ook regelmatig.
De truc is om niet elke nacht in een hotel te zitten, want dan loopt de rekening snel op. Maar één keer per week ? Absoluut de moeite. Het geeft je ook tijd om kleren te wassen, je motor even goed na te kijken, en misschien wat administratie te doen (verzekering checken, volgende etappes plannen).
Conclusie : er is geen “beste” methode, wel een beste match
Kijk, uiteindelijk hangt het af van jouw stijl. Ben je iemand die graag structuur heeft ? Kies dan voor een centrale uitvalsbasis of de hopstrategie met vaste boekingen. Hou je van improviseren en avontuur ? Ga voor wild campen of motorcampings zonder reservering. Wil je comfort en gemak ? Mix hotels met campings.
Wat ik wel zou aanraden : test het uit op een korte trip eerst. Ga een lang weekend de Ardennen in, of een week de Vogezen, en probeer verschillende tactieken. Dan merk je vanzelf wat bij je past. Want geloof me, er is niks vervelender dan halverwege een trip beseffen dat je logistiek niet klopt en je meer bezig bent met hotels zoeken dan met rijden.
En vergeet niet : de beste trips zijn die waar je achteraf denkt “dit had ik nóg langer willen doen”. Niet die waar je uitgeput thuiskomt omdat je te veel hebt gepland.
